Wat is de 80%-regel bij hardlopen? Waarom langzamer lopen je juist sneller maakt

Praat mee!

Getty Images

Getty Images

Wie zich verdiept in trainingsschema's voor marathonlopers of eliteatleten, komt vroeg of laat de 80%-regel tegen. De gedachte erachter klinkt bijna te mooi om waar te zijn: wie ongeveer 80 procent van zijn trainingen rustig loopt en slechts 20 procent op hoge intensiteit, wordt uiteindelijk sneller dan iemand die voortdurend hard traint.

Voor veel recreatieve hardlopers voelt dat tegenstrijdig. Sneller worden vraagt toch juist om sneller lopen? Toch wijst jarenlang onderzoek én de praktijk bij topsporters in een andere richting. Juist de lopers die het grootste deel van hun kilometers bewust rustig afwerken, blijken vaak de meeste progressie te boeken.

Wat houdt die 80%-regel precies in? En waarom werkt hij zo goed?

De basis van de regel is eenvoudig. Ongeveer tachtig procent van je trainingen vindt plaats op een lage intensiteit, waarbij je gemakkelijk een gesprek kunt voeren en je hartslag relatief laag blijft. De overige twintig procent bestaat uit intensievere trainingen, zoals intervalsessies, tempoblokken of heuveltrainingen.

Dat wordt ook wel een gepolariseerde trainingsaanpak genoemd. Je traint óf duidelijk rustig, óf bewust intensief. Het gebied ertussenin (waar veel recreanten ongemerkt op uitkomen) probeer je juist zoveel mogelijk te vermijden. En dat is waar het vaak misgaat. Veel hardlopers vertrekken met het idee om rustig te lopen, maar eindigen ongemerkt in een tempo dat nét iets te hoog ligt. Ze hijgen niet echt, maar ontspannen is het ook niet meer. Het voelt productief, maar levert relatief veel vermoeidheid op zonder de maximale trainingsprikkel van een echte intensieve sessie.

Dat wordt ook wel de 'grijze zone' genoemd.

Rustige trainingen zijn indrukwekkender dan je denkt

Juist doordat zoveel trainingen in dat tussengebied plaatsvinden, blijft er onvoldoende ruimte over om tijdens de zware trainingen écht kwaliteit te leveren. Tegelijkertijd zijn de rustige trainingen niet ontspannen genoeg om optimaal herstel mogelijk te maken. De 80%-regel doorbreekt dat patroon.

Rustige trainingen zorgen namelijk voor een indrukwekkend aantal fysiologische aanpassingen. Het lichaam leert efficiënter vetten te gebruiken als brandstof, het aantal mitochondriën – de energiecentrales van de spiercel – neemt toe en het cardiovasculaire systeem wordt sterker. Bovendien herstellen spieren, pezen en gewrichten beter van eerdere belasting. Dat zijn de aanpassingen die nodig zijn om uiteindelijk harder en langer te kunnen lopen.

En hoe zit het met die andere 20 procent dan?

De intensieve twintig procent heeft vervolgens een ander doel. Tijdens intervallen en tempolopen verbeter je onder meer je maximale zuurstofopname, loopeconomie en lactaatdrempel. Juist doordat je deze trainingen relatief fris begint, kun je de gewenste intensiteit daadwerkelijk halen. De combinatie van beide trainingsvormen blijkt effectiever dan voortdurend 'redelijk hard' lopen. Betekent dit dat je letterlijk vier van de vijf trainingen rustig moet afwerken? Niet per se.

De oorspronkelijke onderzoeken kijken meestal naar de totale trainingstijd en niet naar het aantal trainingen. Een marathonloper die zes keer per week loopt, kan bijvoorbeeld één zware intervaltraining en één tempoloop doen, terwijl de overige kilometers bewust rustig worden afgewerkt. Ook binnen een intervaltraining bestaat een groot deel van de tijd uit inlopen, uitlopen en herstelpauzes, waardoor de verhouding in totale trainingsminuten vaak verrassend dicht bij die 80/20-verdeling uitkomt.

Geldt dit alleen voor gevorderde lopers?

Voor recreatieve lopers is de exacte verhouding bovendien minder belangrijk dan het onderliggende principe. Het doel is niet om na iedere training een rekenmachine erbij te pakken, maar om te voorkomen dat elke loop ongeveer even zwaar wordt. Dat vraagt soms om discipline. Zeker nu sporthorloges, Strava en groepsruns het verleidelijk maken om nét iets harder te lopen dan eigenlijk de bedoeling was. Veel lopers vinden een rustige duurloop mentaal zelfs moeilijker dan een intervaltraining. Het voelt alsof je jezelf inhoudt.

Laat dat nou net de bedoeling wezen. De grootste uitdaging van de 80%-regel zit daarom niet in de twintig procent harde trainingen, maar juist in de tachtig procent rustige kilometers. Wie consequent zijn ego thuislaat tijdens duur- en hersteltrainingen, merkt vaak dat de kwaliteit van de intensieve sessies vanzelf omhooggaat. Dat betekent overigens niet dat iedere loper zich blind aan de 80%-regel moet vasthouden. Beginners die slechts twee keer per week lopen, hebben vaak al voldoende trainingsprikkel zonder intensieve intervallen. Aan de andere kant kunnen ervaren wedstrijdlopers in bepaalde fases van hun trainingsschema tijdelijk afwijken van de klassieke verdeling.

Zie de 80%-regel daarom niet als een natuurwet, maar als een bewezen richtlijn. Hij herinnert je eraan dat hard trainen alleen effectief is als daar voldoende rustige kilometers tegenover staan. Het is de grootste les van moderne trainingsleer. Niet de loper die elke training afziet, wordt uiteindelijk het snelst. Vaak is het juist degene die durft af te remmen wanneer het schema daarom vraagt. Want sneller worden begint verrassend vaak met langzamer lopen.

Volg je Runner's World al op InstagramTikTokStrava en Facebook?