Waarom Tour de France-renners niet zoveel verschillen van recreatieve hardlopers
© Getty Images

Een ernstige blessure is wel het láátste wat je wil als sporter. Vaak gaat het niet eens om de pijn, maar om de weken of maanden waarin je niet mag doen wat je het liefst doet: bewegen. Hoe ga je daarmee om? En waarom lijken sommige sporters razendsnel de knop om te zetten, terwijl anderen vastlopen?
Voor mijn boek Ravage sprak ik de afgelopen anderhalf jaar uitgebreid met profwielrenners, ploegleiders, teamartsen en fysiotherapeuten die betrokken waren bij een van de zwaarste ongevallen uit de wielergeschiedenis. Het decor is wielrennen, maar tijdens die gesprekken viel me op hoeveel daarvan herkenbaar is voor iedere geblesseerde sporter. Voordat ik die lessen deel, is een stukje context nodig.
Tijdens een trainingskamp van Giant-Alpecin in Spanje, reed op 23 januari 2016 een Britse automobilist frontaal in op een groep wielrenners. Ik zat in de volgwagen erachter en verleende eerste hulp aan de gewonde renners. Dat ongeluk vormde tien jaar later de aanleiding voor Ravage.
Zo, nu ben je klaar voor de lessen.
De eerste vraag is nooit: hoe erg is het?
Een van de renners was de Amerikaan Chad Haga, die het stuur van zijn fiets had opgevangen met zijn nek. In zijn hals zat een gapende wond, waar bloed uit kwam op het ritme van zijn hartslag. In een reflex ben ik achter hem gaan zitten en heb ik zijn nek dichtgehouden met een shirtje totdat de traumahelikopter arriveerde. Sorry voor dit bloederige tafereel, maar het is een beknopte weergave van hoe ernstig de situatie was op dat moment.
In het interview vorig jaar zei Haga dit over hoe hij wakker werd in het ziekenhuis de dag erna: ‘Zodra je accepteert wat er is gebeurd, vraag je je meteen af: kan ik volledig herstellen? Zodra je dat zeker weet, is de volgende vraag: hoelang gaat het duren? En wat kan ik nu doen om het sneller te laten gaan? Hoe ziet vooruitgang eruit vandaag? In het ziekenhuis was dat: kun je van het bed naar de stoel komen? Kun je jezelf voeren? Kun je zelfstandig naar het toilet? Op de eerste avond terug in het teamhotel was de vraag: kan ik van het diner naar mijn kamer gaan met de trap in plaats van met de lift?’
Wij recreatieve lopers verschillen daarin minder van profs dan we denken.
Focus op wat wél kan
Het is niet voor niks dat we bij Runner's World zo hameren op het belang van krachttraining. Ten eerste omdat het evident is voor je lichaam en je loophouding, en dús ter voorkoming van blessures. Maar bovenal omdat velen van ons - en vooral ikzelf, haha - er een hekel aan hebben. Ik wil lopen! Maar als je een zware blessure hebt, gaat dat nou eenmaal niet.
Toen ik Chad Haga vroeg of hij het lastig vond die omschakeling van intensief fietsen naar herstel, zei hij dit: ‘Het was vrij makkelijk. Ik wilde meer fietsen, maar ik wist dat al die oefeningen onderdeel waren van het proces. Dus de modus wordt “dit is nu je werk”. Het gaat minder om de fiets en meer om het herstel. En als je dat goed doet, wordt het fietsdeel groter. En zo gaat het stap voor stap. Doe het zo goed als ik kan, zodat ik naar de volgende kan.’
Neem regie over je herstel
Een andere renner die bij de crash betrokken was, is de Duitser Max Walscheid. Hij is nog altijd prof en fietst voor de topploeg Lidl-Trek. In 2016 was hij degene die als laatste terugkeerde in het peloton, omdat zijn versplinterde scheenbeen nou eenmaal meer herstel vergde. Wat veel mensen vergeten, is dat wielerploegen geen vaste thuisbasis hebben. Zodra een renner geblesseerd raakt, is hij vaak aangewezen op artsen en fysiotherapeuten in zijn eigen woonplaats. Zo ook Walscheid, die op een gegeven moment niet tevreden was met zijn vorderingen: ‘In die periode ging ik naar een revalidatiecentrum voor, laten we zeggen, “gewone mensen”. Ik deed het maximale programma, alles wat ze daar aanboden. Maar het was niet genoeg voor me, ik had méér nodig. Meer training, meer behandeling.’
En dus klopte hij aan bij profvoetbalclub Hoffenheim, vertelt hij: ‘Dat was echt een gamechanger. Daar ben ik naartoe gegaan toen ik weer zelf kon autorijden, alhoewel dat officieel waarschijnlijk nog niet mocht. Mijn linkerbeen was nog steeds gebroken, maar mijn auto had geen koppeling. Bij Hoffenheim lieten ze me zien wat ze met me konden doen. Het was precies wat ik nodig had. Dat was voor topsporters. Vanaf dat moment begon het herstelproces pas echt. Daarvóór trainde ik ook hard, maar ik had nooit het gevoel: dit is hoe een prof herstelt. Ik kreeg goede begeleiding, ook omdat ze superblij waren met iemand die zo gemotiveerd was.’
Vertrouw het proces
Wielrenners zien revalidatie niet als een pauze van hun sport, maar als onderdeel van hun sport. Beter góéd herstellen dan snel. Alles heeft zijn tijd nodig, vertelt ook Walscheid. Elke vorm van druk op zijn gebroken linkerbeen was pijnlijk. Hoe vlieg je dat aan? ‘Na de operatie brachten ze een weegschaal naar mijn kamer. Vanaf dag één leerde ik hoeveel gewicht ik op het been mocht zetten. Elke week verhoogden we dat met, ik weet het niet meer precies, vijf of tien kilo. In het begin durfde ik dat niet, want je denkt hoe dan ook: dit kan niet, ik stort meteen in.’
Het duurde tijd en het vergde mentale weerbaarheid, vertelt Walscheid: ‘Dat is een lang en eng proces. Je wilt in de revalidatie zo hard mogelijk werken, maar aan de andere kant wil je ook geen risico nemen. Als je te hard traint en het bot geneest niet goed, dan krijg je een zogenaamde pseudoartrose op die plek, een schijngewricht. Dan ben je echt de pineut. Dan moet je opnieuw geopereerd worden. Elke paar weken kreeg ik een röntgenfoto en telkens zat ik met gekruiste vingers te hopen dat het de goede kant op ging.’
Stop met denken in einddoelen
Zelf heb ik vier marathons gelopen en raakte ik overtraind in de voorbereiding op de London Marathon. Alles waar we bij Runner's World voor waarschuwen deed ik verkeerd. Te weinig hersteltijd na mijn vorige marathon, te snel het aantal trainingskilometers per week opgebouwd, te veel tempotrainingen in het schema, met een pijntje onder mijn voet tóch gaan lopen. Oliedom. Dit was begin 2024 en ik heb er nog steeds last van. Overigens werkte ik toen nog niet voor dit hardloopmerk.
Komt je dit enigszins bekend voor, omdat je zelf ook moeilijk te remmen bent? Probeer dan te stoppen met denken aan dat grote doel: of het nou je volgende marathon is, een 10 kilometer-wedstrijd of het baanseizoen. Zoek een fysio waar het mee klikt en benader je herstel in kleine hapjes. Zo doen de wielrenners het ook, vertelt Chad Haga: ‘Absoluut waar, het gevoel dat je op de grens van je kunnen zit. Dat is hoe je beter wordt. Ik geniet ervan om mezelf te pushen om beter te worden. De truc is het in kleine stappen te doen, zodat je vooruitgang boekt zonder jezelf te blesseren. Ik denk dat de grootste les is: probeer in het hier en nu te zijn en geniet van de goede momenten, wat nog steeds iets is waar ik aan werk.’
Tijdens het schrijven dacht ik dat ik een boek maakte over een verkeersongeluk. Pas later besefte ik dat het eigenlijk ging over mensen die tijdelijk kwijt waren wat hen definieerde. Misschien is dat wel de grootste overeenkomst tussen een Tour de France-renner en een recreatieve hardloper. Allebei willen ze uiteindelijk hetzelfde: weer naar buiten, schoenen aan, één voet voor de andere.
© Uitgeverij VoltRavage
Nick Klaessens is schrijver en (eind)redacteur bij Runner's World. Begin 2026 kwam het boek Ravage uit. Ravage is verkrijgbaar boekhandels en online. Aanstaande zondag om 19.05 uur vertelt Nick erover bij De Avondetappe op NPO 1.
Bestel bij de BrunaVolg je Runner's World al op Instagram, TikTok, Strava en Facebook?











