Marathonlegende Marja Wokke: de snelste in andere tijden
Mari Durieux

Lang voordat smartwatches en carbonschoenen het tempo bepaalden, was daar Marja Wokke. Op instinct en karakter liep ze zowat iedereen eruit, maar miste ze de Spelen door een nare blessure. We zochten de grande dame van de marathon op in Bergen.
‘Marja, je gaat veel te hard! De afstandsbordjes die je ziet zijn mijlen. Geen kilometers’. 7 september 1980, de destijds 23-jarige Marja Wokke was hard op weg om een prestatie van wereldformaat neer te zetten. Dat ze in het Amerikaanse Eugene ruim 8 minuten van het Nederlands record af zou halen en bovendien de 6e snelste tijd dat jaar gelopen op de klokken zette, had Marja noch haar manager Michel Lukkien kunnen vermoeden. Maar hoe kwam de jonge Marja van het Noord-Hollandse plaatsje Bergen überhaupt tot deze prestatie? We gingen eens op de koffie bij Marja in Bergen, om te praten over de geheimen van haar wonderbaarlijke loopsucces. Want in haar hoogtijdagen kwam eiwit uit kaas, had niemand ooit gehoord van carbon-schoenen en waren trainingsstages, hartslagmeters en GPS-smartwatches nog onontgonnen terrein.
Voor een kratje bier
Marja Wokke werd geboren op 21 maart 1957 als enige meisje. Naast haar tweelingbroer Rob en oudste broer Ruud (1949) zou vooral haar broer Jos (1951) een sleutelrol in haar leven vervullen. ‘Mijn ouders waren al ouder toen ik geboren werd. Ik ben opgevoed door mijn broers en vooral mijn oudste broer heeft een enorme rol gehad in mijn opvoeding. Wat hij mij vertelde was voor mij de waarheid. En wat hij deed, wilde ik ook. Met drie broers opgroeien, leerde me te vechten. Ik moest altijd mijn best doen om met hen mee te kunnen doen. Daarnaast hadden wij als gezin geen auto. Gingen we ergens naartoe dan was dat lopend, met de fiets of met de autoped. Zo waren we ook als kind al flink actief.’
In 1976 werd ze door haar broer Jos uitgedaagd om mee te lopen met de halve marathon van Egmond. ‘Hij vond dat het maar eens afgelopen moest zijn met dat bier drinken en niets doen. Ik kon de uitnodiging niet weerstaan. Bovendien stelde hij me een kratje bier in het vooruitzicht. In deze wedstrijd werd ik prompt derde. Die eerste wedstrijd werd een zaadje geplant dat slechts vier jaar later tot haar wereldprestatie zou leiden. Tot dan toe had ik vooral schaatstraining gedaan. Maar ook mijn schaatstrainer Piet Nap zag dat ik geen schaats-, maar een hardlooptalent was’.
200 kilometer per week
‘Het viel al snel op dat ik talent had voor hardlopen. Ook andere lopers en trainers zagen dat het lopen me erg makkelijk af ging. Ik werd lid van AAC en trainde onder Bob Boverman en Wim Verhoorn. Het waren vooral de heuveltrainingen en lange, rustige duurlopen (tot wel 4 uur) waardoor ik in korte tijd enorm verbeterde. Ik trainde twee keer per dag. ’s Ochtends van zes tot half acht en aan het eind van de middag na mijn werk als tandartsassistente.’ Een jaar na haar debuut in Egmond liep Marja al 1.27.30 en in 1980 wist ze met haar 1.13.59 bij de CPC zelfs de beste wereldprestatie neer te zetten. ‘Krachttraining heb ik tot vijf jaar geleden nooit gedaan. De heuvels waren onze vorm van krachttraining. Heuveltraining deden we wel 2 tot 3 keer per week. En vooral véél kilometers maken. Ik heb jarenlang 200 tot 240 kilometer per week gelopen. Mijn lijf kon het allemaal aan.’ Nu zou je het niet meer bedenken, maar in 1981 liep Marja zowel de marathon van Amsterdam als die van Rotterdam die slechts 14 dagen na elkaar plaatsvonden. Ze won beide wedstrijden, respectievelijk in 2.43.38 en 2.43.23.
Hompen kaas en pancakes
Ook in deze fase was broer Jos degene wiens advies Marja steevast opvolgde. ‘Een trainer vertelde mij dat het ideale gewicht voor mij 47 kilo moest zijn. Maar Jos wilde daar niets van weten. Om hard te kunnen lopen, zo vertelde hij mij, had ik ook spiermassa nodig. En daar moest ik iets zwaarder voor zijn. Dat ik dan wel de juiste dingen at, daar zorgde Jos hoogstpersoonlijk voor. Hij studeerde namelijk voedingsleer en schreef mij voor dat ik vooral veel groenten en eiwitten moest eten. Dat eiwit haalden we vooral uit hompen kaas. ‘In die jaren begon ik om 6.00 met een duurloop, daarvoor at ik vaak een banaan. Na een snelle douche at ik een bord yoghurt met door Jos gemaakte muesli met fruit. Daarna ging ik naar mijn werk waar ik volkorenbrood met kaas at. Tussen de middag at ik nog meer brood en dan net voor mijn tweede training van de middag weer een banaan. Na de training aten we veel gestoomde kip met dus die berg groenten en veel rijst. Ook peulvruchten aten we heel regelmatig. We namen nog helemaal geen supplementen, die bestonden toen nog niet. Maar ik denk dat ik nooit geblesseerd was omdat ik veel water dronk, wel vier liter per dag. En omdat ik geen suiker at. Dat doe ik nog steeds niet. Ik eet nu eigenlijk nog veel hetzelfde als toen. Alleen dan wat minder.’
‘Eten en drinken tijdens de wedstrijden deden we overigens niet. Dat werd in die tijd niet als noodzakelijk bevonden. Zelfs tijdens mijn 2.32 in Eugene heb ik tijdens de wedstrijd niets gegeten of gedronken. Wel de dagen ervoor. We werden volgestopt met Amerikaanse pancakes om voldoende koolhydraten binnen te krijgen.’
Je leest nu een deel van het interview met Marja Wokke. Het volledige interview is te vinden in de nieuwste Runner's World.
KOOP HET NIEUWE NUMMER HIER
Volg je Runner's World al op Instagram, TikTok, Strava en Facebook?











