Marathonfenomeen Filmon Tesfu: 'Mijn moeder kon niet stoppen met huilen'

Update: 11 februari 2026 om 08:58
(Eind)redacteur

Lars van Hoeven

Lars van Hoeven

Filmon Tesfu (32) is de tweede snelste marathonloper die Nederland ooit gekend heeft. Wat weten we nou eigenlijk écht van hem. We weten dat hij vanuit Eritrea naar Nederland is gevlucht, in Den Helder woont, verliefd werd op hardlopen, traint bij Grete Koens en tot een van de snelste marathonlopers behoord. Hij vertelde ons zijn hele verhaal.

Let op: onderstaande artikel is een klein deel van het volledige interview, te lezen in Runner's World #7.

De lange vlucht uit Eritrea

Filmon neemt ondanks een fijne jeugd toch de beslissing om op 15-jarige leeftijd te vluchten vanuit Eritrea. 'Eritrea is niet te vergelijken met hier. Ik was vijftien toen ik vertrok. Tot die leeftijd was het een goed leven daar. Je bent kind, je woont bij je ouders, zij zorgen voor alles. Je gaat naar school, je speelt met vrienden. Maar zodra je achttien bent, moet je verplicht naar het leger. De dienstplicht in Eritrea is een vorm van dwangarbeid. Niet dat je daarmee bezig bent op je twaalfde, of dat het als een donkere wolk boven je hangt. Ik heb echt kind kunnen zijn. Ik dacht niet: ik ga weg. Of aan Europa. Dat kwam later. Ik ben gevlucht met twee vrienden van mijn leeftijd. Het ging plotseling, zonder veel voorbereiding. We hadden geen idee waar we naartoe moesten of waar de reis eindigen zou. Als we maar weg waren uit Eritrea. We zijn te voet naar Ethiopië gegaan.'

'Het was zo'n 30 kilometer naar de grens, maar het is niet makkelijk om Ethiopië binnen te komen. Er staat leger aan beide kanten. Dat moet dus in de nacht. Overdag blijf je stil, want het leger kan je pakken. Als ze je pakken, ga je naar de gevangenis of erger. ’s Nachts zie je de lamp die zoekt naar mensen die op de vlucht zijn. Een kleine lamp, niet zoals de vuurtoren hier. Dat licht is gevaar. Daar moet je niet heen. Je moet naar de donkere plekken.'

Door naar Zuid-Soedan

'Slapen deden we niet echt. Soms liepen we de hele nacht door. Overdag rusten. Soms speelden we even met stenen. Dan keken we wie het verst kon gooien. Op sommige momenten vergat ik even waar we mee bezig waren. Dan was ik gewoon kind. Werd het donker, dan gingen we weer door. Eenmaal in Ethiopië was het veilig. Het leger bracht ons naar een kamp met tenten. Je kreeg eten en drinken. Ik bleef daar zo’n zeven maanden. Je denkt de hele tijd aan je ouders en je mist ze, maar je speelt ook met andere jongens. Je voetbalt. Je leeft. Je hoort via via dat je ouders weten dat je in Ethiopië bent, maar je hebt zelf geen contact. Je kunt niet bellen of internetten. Ze wisten dat ik weg was. Het is geen goed leven in Eritrea.'

'Daarna ging ik naar Zuid-Soedan, met een van die andere jongens: Kiflom. Die andere ben ik uit het oog verloren, ik kan hem niet vinden op Facebook. Die grensovergang is geen probleem of in elk geval veilig. Inmiddels was ik zestien. Ik werkte in een bus. Ik verzamelde geld voor de chauffeur en kreeg in ruil daarvoor eten en een beetje geld. Ik werkte van vijf uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds. Dertien uur per dag, elke dag. Het was zwaar. De taal was anders. Alles was anders. Maar ik had een soort van goed leven. Daar heb ik voor het eerst mijn moeder kunnen bellen, ze kon niet stoppen met huilen. Ze kon niet geloven dat mijn leven goed was daar. Na zes maanden ging ik naar Soedan. Ik dacht: misschien is het daar beter. Maar dat was niet zo. Ik kon geen werk vinden en dus kon ik geen huur betalen. Ik woonde met andere mannen in een klein huisje. Dat voelde veilig, maar het leven was moeilijk. Ik vertelde mijn moeder eerlijk dat het leven moeilijk was in Soedan en dat ik niet wist wat ik moest doen. Wat ik haar niet vertelde, is dat ik van plan was om via de Sahara naar Libië te reizen. Dat kon ik niet zeggen, omdat ik wist dat zij de verhalen uit de woestijn kende. Veel mensen overleven de tocht door de Sahara niet. Daarom heb ik het geheim gehouden voor mijn moeder, anders zou ze niet meer kunnen slapen. De tocht door de Sahara duurde negenentwintig dagen. Normaal zijn het er drie.'

Lasser naar profatleet

Nadat hij in Den Helder was komen wonen ging Filmon naar school, leerde Nederlands en volgde een opleiding tot lasser. Bij SV Sportlust startte hij het hardlopen onder leiding van Truus van den Berg: 'Toen ik daar aankwam op de eerste dag zei ze: “Welkom.” Dat vergeet ik nooit meer. Ik had geen hardloopschoenen, dus Truus nam me mee naar de Intersport. De helft moest ik zelf betalen, de andere helft betaalde de winkel. Niet lang daarna liep ik mijn eerste wedstrijd. Ik won.' Truus werd een tweede moeder voor Filmon. 'Ze regelde alles voor me: wedstrijden, trainingsschema’s, ritjes, dingen voor mijn studie. Ik mocht altijd meerijden met Lucienne, de moeder van Gianluca (Assorgia, red.). Ik hoefde nooit te betalen. Of beter gezegd: dat mocht niet. Truus, Lucienne en Gianluca werden familie.’ Truus is 82 jaar besloot haar grote talent over te dragen aan topcoach Grete Koens. Koens zag al snel een marathontalent in Filmon. 'Grete zei dat ik marathons moest gaan lopen. Op de weg loop je je eigen tempo. Dat past bij mij. Mijn eerste marathon liep ik in Amsterdam, ik finishte in 2.10. Dat ging eigenlijk vanzelf. Ik werkte toen nog als lasser. Ik liet Grete weten dat ik misschien prof wilde worden. En zo stopte ik begin 2025 als lasser. En kijk nu eens waar ik sta. Het is gelukt!'

Je leest nu een deel van het interview met Filmon Tesfu. Het volledige interview is te vinden in de nieuwste Runner's World.

KOOP HET NIEUWE NUMMER HIER

Volg je Runner's World al op InstagramTikTokStrava en Facebook?

Marathonfenomeen Filmon Tesfu: 'Mijn moeder kon niet stoppen met huilen'