Churandy Martina geniet van zijn pensioen op de golfbaan: 'Ik wil dat gedoe niet'

Jason Rafaël

Jason Rafaël

Een jaar nadat hij stopte als sprinter, heeft Churandy Martina (41) de bakens verzet. Op Curaçao houdt hij zich bezig met golf, mentale coaching en zijn eigen stichting. ‘Misschien ga ik ooit een marathon lopen.’

De snelste man van Nederland (9,91 seconden op de 100 meter) liep in juli 2024 bij de FBK Games zijn laatste race en stopte officieel na de Olympische Spelen van Parijs, waar hij als reserve voor de estafetteploeg 4x100 meter niet in actie kwam. Kort erna keerde Martina terug naar zijn geboorte-eiland, waar hij de atletiekbaan inruilde voor de golfbaan. Al in de laatste jaren van zijn carrière werd hij aangesteld als ‘Chief Smile Officer’ – een soort ambassadeur – van het resort waar de golfbaan is gelegen. Tegenwoordig woont hij zelfs op het complex, waardoor de golfbaan in feite zijn achtertuin is geworden. Hij speelt er minstens een keer per week achttien holes, terwijl hij bovendien steeds meer wordt meegenomen in de bedrijfsvoering van het resort. Van marketing tot personeelszaken: Martina is van alle markten thuis. 

Hij geniet met volle teugen van zijn leven na de atletiek, ook al ziet dat er iets anders uit dan hoe hij het in zijn laatste jaren als sprinter voor zich had gezien. Rondom zijn zesde en laatste Olympische Spelen vertelde Martina ernaar uit te kijken om te gaan genieten van zijn rust, met een ijskoude pina colada in zijn hand op het strand. Maar als hij nu op het terras van de golfclub terugdenkt aan die woorden, moet hij erkennen dat de praktijk iets weerbarstiger is dan het droombeeld. ‘Ik heb wel een paar keer zo op het strand gezeten, maar ik kan dat niet de rest van mijn leven blijven doen’, zegt hij dan schaterend van het lachen. ‘Het zou best mooi zijn, maar ik hou ook van bewegen.’

Mentaal sterk

Om die reden begint hij tegenwoordig elke werkdag met een uurtje in de sportschool, terwijl ook golf een manier is om het lichaam fit te houden. Verder werkt hij samen met verschillende Curaçaose sporters, waaronder twee atleten, die hij vooral op mentaal gebied verder probeert te helpen. Het mentale deel van de atletiek was altijd een specialiteit van het huis, niet voor niets was Martina vaak in finales, wanneer de druk het hoogst was, op zijn best. ‘Golf is een mental game, en dat geldt zeker ook voor atletiek’, zegt hij. ‘Atletiek is voor mij vijftig procent fysiek en vijftig procent mentaal. Ik zie veel atleten met talent rondlopen, maar als ze eenmaal aan de startlijn staan voor een wedstrijd, doen ze alles verkeerd. Dat vind ik zonde van al dat harde werken. Ik ben mijn hele leven mentaal sterk geweest, nu probeer ik anderen op dat gebied te helpen.’

De kunst is, zo zegt hij, om jezelf op de startlijn nooit op de tweede plek te zetten, want dan heb je bij voorbaat verloren. In plaats daarvan prentte Martina zichzelf bij de start altijd in dat hij de sterkste sprinter was van allemaal, zelfs als Usain Bolt naast hem in het startblok zat. ‘Ik dacht altijd: na de finish kijken we wel wie er gewonnen heeft, maar voor de start ben ik beter dan jij. Ik heb die mindset moeten leren, en werd er elke keer beter in. Ik heb veel gehad aan boeken van Kobe Bryant, Michael Jordan en Tiger Woods, allemaal sporters die de top hebben bereikt. Uit die boeken haalde ik bijvoorbeeld dat het niet uitmaakt hoe vaak je valt, maar dat het erom gaat dat je telkens weer opstaat en doorgaat.’

Die les kwam hem van pas in 2008, toen Martina tijdens de olympische finale in Peking achter Bolt als tweede eindigde op de 200 meter, maar werd gediskwalificeerd vanwege een minimale voetfout (die pas aan het licht kwam na een protest van de Amerikaanse ploeg). ‘Het leven voelde op dat moment niet fair’, zegt hij nu, met gevoel voor understatement. ‘Het was een moment waarop ik wilde stoppen met atletiek, maar ik bleef toch doorgaan. Zo heb ik tijdens mijn carrière ook met blessures te maken gehad, of wedstrijden waarin ik heel goed was maar die ik toch niet wist te winnen. Ik vroeg me dan af: heeft het zin om door te gaan, terwijl ik niets méér kon geven dan ik had gedaan? Of ga je dan toch proberen om nóg beter te worden? Al dat soort dingen probeer ik over te brengen op de sporters met wie ik samenwerk.'

Het nieuwe coachen

Hij neemt een slok uit het glas tonic met ijs voor zijn neus en plukt dan voorzichtig met zijn hand aan zijn baard, waarin de eerste grijze haren doorkomen. Zijn lichaam is tegenwoordig iets steviger dan in zijn beste jaren als sprinter, de pure snelheid van vroeger is verdwenen. ‘Ik vind het niet moeilijk dat ik daar afscheid van heb moeten nemen’, zegt hij. ‘Die snelheid ging namelijk gepaard met veel fysieke pijn en die pijn wil ik niet meer voelen. Ik mis het sprinten ook niet, ik heb het te lang gedaan.’

Zo komt het dat er langs de atletiekbaan in het Ergilio Hato Stadion in Willemstad weliswaar een fraaie muurschildering is te zien van Martina, maar dat hij zelf niet vaak meer in levende lijve op de baan is te vinden: niet om zelf te sprinten en ook niet om training te geven aan andere atleten. ‘Ik vind training geven best leuk, maar ik ben een te strenge coach’, zegt hij glimlachend. ‘Je moet tegenwoordig anders coachen dan in de tijd dat ik zelf sprintte. Ik vind dat je het bijvoorbeeld gewoon tegen een atleet moet kunnen zeggen als hij niet op gewicht is, maar tegenwoordig hebben mensen het dan over grensoverschrijdend gedrag. Ik vind dat ingewikkeld. In mijn tijd zei de trainer simpelweg: “Churandy, je bent vijf kilo te zwaar, get the kilo’s done.” Nu moet je eerst een weegschaal brengen en heel voorzichtig tegen een atleet zeggen dat het beter zou zijn als hij iets lichter is. In mijn ogen is dat geen goede aanpak, want wanneer je als sprinter de baan op gaat, kom je leeuwen en haaien tegen die jou willen pakken. Als je dan door je coach als een prins of een prinses wordt behandeld, maken ze jou op de baan als eerste dood. Ik heb vroeger juist altijd hard getraind zodat ik op de baan ánderen kon killen. Daar ben ik ver mee gekomen, dus die manier werkte goed. Daarom vind ik het moeilijk om in deze tijd coach te zijn. Ik wil al dat gedoe niet, heb geen zin om nog te moeten leren hoe ik het anders zou moeten doen. Daar zou ik alleen maar hoofdpijn van krijgen.’

Plotseling schiet hij in de lach. ‘Ik zeg altijd: hoofdpijn is om te krijgen, niet om op te zoeken. Dus daarom ga ik niet die richting op als coach, want dan zou ik de hoofdpijn zelf opzoeken.’

Churandy Martina in gesprek met André van Kats© Jason Rafaël

Churandy Martina in gesprek met André van Kats

Je leest nu een deel van het interview dat André van Kats had met Churandy Martina. Het volledige interview is te vinden in de nieuwste Runner's World.

KOOP HET NIEUWE NUMMER HIER

Volg je Runner's World al op InstagramTikTokStrava en Facebook?

Churandy Martina geniet van zijn pensioen op de golfbaan