800 meter versus 1500 meter: welke afstand is zwaarder? Zo train je voor beide

Praat mee!

Getty Images

Getty Images

Georgia Hunter Bell wisselt beide afstanden af, terwijl trainingspartner Keely Hodgkinson zich volledig richt op de 800 meter. Maar welke afstand is eigenlijk zwaarder?

De 100 meter sprint en de marathon verschillen overduidelijk van elkaar. De ene is grotendeels anaeroob en vraagt gedurende enkele seconden om explosieve kracht, terwijl de andere grotendeels aeroob is en vooral een beroep doet op spieruithoudingsvermogen en een efficiënte pacing, doorgaans gedurende twee uur of langer.

En de 800 en 1500 meter? Dat zijn twee middellange afstanden die je gemakkelijk kunt omschrijven als ‘in feite hetzelfde’, zeker wanneer atleten als de Britse topper Georgia Hunter Bell schijnbaar moeiteloos tussen beide afstanden schakelen en op beide onderdelen grote titels winnen. Kijk maar naar haar recente prestaties: eind juli won ze goud op de 800 meter bij de Gemenebestspelen, ruim drie weken later gevolgd door Europees goud op de 1500 meter.

Toch doen de 800 en 1500 meter in werkelijkheid een verschillend beroep op de energiesystemen van het lichaam. Ook vragen ze om een andere wedstrijdstrategie en belasten ze lichaam en geest op verschillende manieren. De voormalige atlete en coach Jenny Meadows, die samen met een collega leiding geeft aan M11 Track Club, de trainingsgroep van Hunter Bell en olympisch 800 meterkampioene Keely Hodgkinson, sprak onlangs met BBC Sport over de verschillen tussen beide afstanden.

‘Ze zijn echt héél verschillend’, zegt Meadows. Hunter Bell zegt volgens haar altijd tegen Hodgkinson dat de 1500 meter zwaarder is. ‘Je moet veel meer aerobe training doen voor de 1500 meter. Dus veel meer kilometers, veel meer trainingsvolume. En als je daadwerkelijk naar de 800 meter kijkt, is het bijna een sprint die je volhoudt. Ze lopen zó ontzettend hard.’

Meadows noemt de derde ronde van de 1500 meter ‘een heel, heel belangrijk gedeelte’ van de race. Dat is ook het moment waarop veel atleten het mentaal kunnen laten afweten en aan zichzelf kunnen gaan twijfelen. Haar oordeel? ‘Ik ben het waarschijnlijk wel met Georgia eens: ik denk dat de 1500 meter het zwaardere onderdeel is.’

Maar wij wilden het iets grondiger onderzoeken. Is de 1500 meter echt het zwaarste onderdeel? Hoe train je om succesvol te zijn op beide afstanden? En hoe weet je of je beter geschikt bent voor de 800 of de 1500 meter?

We spraken met sport- en inspanningsfysioloog George Morris voor antwoorden vanuit de wetenschap en de praktijk.

De 800 versus de 1500 meter

De 800 meter is iets meer dan de helft van de afstand van de 1500 meter, maar wat maakt beide afstanden (behalve dat evidente verschil) zo anders?

‘De 800 meter is een interessante uitdaging, waarbij de anaerobe energiesystemen een relatief grote bijdrage leveren’, zegt Morris, die werkt met atleten op topniveau in de duursport en veel ervaring heeft met bewegingswetenschappen en prestatieonderzoek. ‘Hoewel je nog steeds voornamelijk afhankelijk bent van het aerobe systeem, kan de snelheid waarmee de spieren van energie moeten worden voorzien leiden tot een zeer grote ophoping van stoffen die samenhangen met vermoeidheid. We hebben allemaal weleens gehoord van lactaat of melkzuur, maar dat is niet de boosdoener.’

In plaats daarvan zijn het volgens Morris vooral de stoffen die zich ophopen wanneer de lactaatconcentratie in het bloed stijgt – waaronder waterstofionen – die zorgen voor het brandende gevoel dat 800 meter-lopers tijdens de slotfase van een wedstrijd in hun benen en de rest van hun lichaam ervaren. Dat is wat de vermoeidheid veroorzaakt.

‘Je zou kunnen zeggen dat bij een 800 meter die je voluit loopt niet degene wint die aan het einde het meest versnelt, maar degene die vermoeidheid en spierverzuring het best kan weerstaan en daardoor het minst vertraagt’, vervolgt Morris. Een tactisch gelopen race kan er uiteraard iets anders uitzien, voegt hij eraan toe. ‘Door de relatief grote anaerobe bijdrage moeten specialisten op de 800 meter niet alleen trainen als middellangeafstandslopers, maar ook beschikken over voldoende basissnelheid en snelheid-uithoudingsvermogen om de eisen van het onderdeel aan te kunnen.

‘De 1500 meter doet daarentegen een veel groter beroep op de aerobe energiesystemen. Ja, het doet nog steeds pijn en ja, ook het anaerobe energiesysteem levert een bijdrage. Maar met de langere wedstrijdafstand wordt het tempo beter vol te houden. Bij specialisten op de 1500 meter verwacht ik daarom een veel grotere aerobe basis en eigenschappen die hen ook in staat stellen om goed te presteren op de 5000 meter.’

Hoe verschillen de training en wedstrijdstrategie per onderdeel?

Volgens Morris kunnen training en wedstrijdstrategie behoorlijk uiteenlopen. Dat heeft zowel met de afstand als met het type atleet te maken. ‘Het zou hetzelfde zijn als beweren dat twee atleten die op hetzelfde onderdeel uitkomen exact hetzelfde zouden moeten trainen’, zegt hij. ‘Heeft Keely bijvoorbeeld precies hetzelfde programma als Georgia? Sommige aspecten zullen vergelijkbaar zijn, maar waarschijnlijk werken ze tijdens belangrijke trainingen aan verschillende punten. De basisprincipes zijn hetzelfde: de atleet moet beschikken over een hoge topsnelheid, een zeer goed snelheid-uithoudingsvermogen en een bepaald niveau van aerobe fitheid. Dat moet op zijn minst voldoende zijn om tussen meerdere rondes van 800 meter door te kunnen herstellen. Aan de andere kant kan die aerobe capaciteit enorm zijn – waarschijnlijk zoals bij Jakob Ingebrigtsen – waarbij een succesvolle 1500 meter-loper ook succesvol is op de 5000 meter. Met verschillende trainingsvormen kun je deze aanpassingen bereiken, maar het hangt echt af van de individuele atleet.

‘Tijdens wedstrijden is tactische positionering daarentegen ontzettend belangrijk op de 800 meter’, vervolgt Morris. ‘Er is nauwelijks ruimte voor fouten, omdat de race zo kort is. Op de 1500 meter is het waarschijnlijk drukker, met meer gedrang. Maar ook daar moet je op het juiste moment op de juiste plek zitten. Tactiek is voor beide onderdelen enorm belangrijk, ongeacht het type atleet.’

Hoe weet je of een loper beter geschikt is voor de 800 of de 1500 meter?

Hoewel Morris benadrukt dat geschiktheid voor een bepaalde afstand ‘nog steeds afhankelijk is van de individuele atleet’, wijst hij op de samenstelling van de spiervezels om een globaal onderscheid te maken. ‘Over het algemeen zou je een atleet met relatief veel snelle spiervezels – iemand die heel snel is, ongeacht hoeveel hij of zij traint, waarschijnlijk niet zo veel plezier beleeft aan langere tempolopen en over het algemeen erg sterk is – eerder voor de 800 meter zien kiezen dan voor de 1500 meter. Iemand met relatief veel langzame spiervezels – denk aan iemand die waarschijnlijk wat meer kilometers per week loopt en graag langere tempolopen, rustige duurlopen en dergelijke doet – zal eerder voor langere afstanden kiezen.

‘Maar ik moet echt benadrukken dat het type atleet dat geschikt is voor de 800 meter, degene is die het leuk vindt om voor de 800 meter te trainen en wedstrijden te lopen – en hetzelfde geldt voor de 1500 meter. Ik denk dat het er vooral om gaat waarvoor je graag traint. Er zijn veel verschillende wegen die naar Rome leiden.’

Hunter Bell presteert zowel op de 800 als de 1500 meter – waarin onderscheidt zij zich als atlete?

Volgens Morris is Hunter Bell bijzonder vanwege haar vermogen om tegelijkertijd op het hoogste niveau op beide afstanden te presteren. ‘Ja, we hebben dit eerder gezien, bij atleten als Seb Coe en Steve Ovett, maar de combinatie van 800 en 1500 meter komt de laatste tijd minder vaak voor’, zegt hij. ‘Ik kan niets zeggen over wat Georgia precies doet tijdens haar trainingen, simpelweg omdat ik daar niet bij ben. Wat ik wel kan zeggen, is dat ze een volledig veelzijdige atlete is. Ze beschikt duidelijk over de topsnelheid om zich met de besten te kunnen meten. Ze heeft duidelijk het snelheid-uithoudingsvermogen en het vermogen om na een al hoog tempo nog hard te versnellen. En zoals we tijdens de Europese kampioenschappen zagen, beschikt ze duidelijk over een uitstekend tactisch inzicht: ze controleerde de finale van de 1500 meter, hield de binnenkant van de baan toen ze de leiding nam en voerde precies op het juiste moment het tempo op naar een fenomenaal niveau. Ook haar aerobe capaciteit moet enorm zijn. Ze loopt meerdere rondes kort na elkaar en vertoont daarbij nauwelijks tekenen van vermoeidheid.’

Volg je Runner's World al op InstagramTikTokStrava en Facebook?